Erik Van Asbroeck, expert Financiële Planning Ondernemen, stelt dat de tarieven inzake VVPRbis en bij liquidatiereserves zullen stijgen in de toekomst. Bovendien waarschuwt hij dat wanneer liquidatiereserves worden uitgekeerd bij ontbinding en vereffening van de vennootschap én de activiteit nadien wordt verdergezet in een andere vennootschap, een nieuwe antimisbruikbepaling zal spelen. Wat verandert er precies, voor wie geldt het en wanneer treedt het in werking?
Wat is de context?
Enkele maanden geleden kon je al vernemen dat de belastingdruk op liquidatiereserves en VVPRbis zal geharmoniseerd worden door de tarieven naar elkaar toe te trekken. Dat klinkt eenvoudig, maar achter die harmonisering schuilen complexe overgangsregels en strategische keuzes die ondernemers moeten maken.
Daarnaast komt er nog een specifieke antimisbruikbepaling voor liquidatiereserves bij. Wanneer liquidatiereserves worden uitgekeerd bij ontbinding en vereffening van de vennootschap én de activiteit nadien wordt verdergezet in een andere vennootschap, zal die antimisbruikbepaling kunnen spelen.
VVPRbis: ook dit tarief stijgt
Via VVPRbis kun je vanaf het derde boekjaar na het boekjaar van de oprichting van je vennootschap (of een kapitaalverhoging) onder bepaalde voorwaarden dividenden uitkeren met toepassing van voorlopig nog 15% roerende voorheffing. Let wel: niet elke vennootschap kwalificeert voor VVPRbis. Enkel vennootschappen opgericht na 1 juli 2013 (of vennootschappen die sindsdien nieuwe aandelen uitgaven naar aanleiding van een kapitaalverhoging of verhoging van inbreng) komen mogelijk – geheel of gedeeltelijk – in aanmerking.
De Programmawet van 18 juli 2025 schafte het tussentarief van 20% voor dividenduitkering vanaf het 2e boekjaar na het boekjaar van de oprichting al af, maar enkel voor aandelen uitgegeven na 31 december 2025. Voor die aandelen blijven enkel nog het standaardtarief van 30% en het gunsttarief van 15% over.
Volgens het begrotingsakkoord van 24 november zou het tarief van 15% stijgen naar 18%. Die tariefverhoging treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de publicatie van de nieuwe wet. Alle dividenden die erna worden uitgekeerd, vallen meteen onder het hogere tarief, ongeacht wanneer de reserves werden opgebouwd. Momenteel verwachten we dat deze verhoging in werking treedt vanaf 1 juni 2026.
Het kan dus aanlokkelijk of zelfs aangewezen zijn om zo snel mogelijk nog een VVPRbis-dividend uit te keren aan 15% roerende voorheffing. Maar stel jezelf bij die beslissing ook een aantal andere vragen, los van die tariefverhoging:
- Heb je nood aan middelen in je privaat vermogen?
- Kwalificeert je vennootschap als een ‘familiale vennootschap’, die tegen een vlak tarief van 3% kan vererfd worden?
- Heeft de uitkering impact op de mogelijke toepassing van het verlaagde tarief in de vennootschapsbelasting?
Druk het mogelijke tariefvoordeel bij een versnelde uitkering niet enkel uit in procenten, maar ook in centen, en weeg dat voordeel af tegen de mogelijke andere gevolgen van je beslissing.
Liquidatiereserve : tarief naar 18% voor uitkeringen bij going concern
De federale regering besliste om de belastingdruk op VVPRbis-dividenden en liquidatiereserves (uitkeringen tijdens het leven van de vennootschap en aangelegd vanaf 31-12-2025) op te trekken tot 18%. Liquidatiereserves aangelegd tot uiterlijk 30-12-2025 zullen nog onder de oude wetgeving vallen (i.e. 13,64% totale belastingdruk bij uitkering na 5 jaar of 15% na 3 jaar). Concreet wordt het tarief roerende voorheffing bij uitkering van de liquidatiereserve na drie jaar opgetrokken naar 9,8%. Het ontwerp van Programmawet wordt momenteel nog behandeld in het Parlement.
Belangrijk: het blijft mogelijk om liquidatiereserves aan te leggen en die bij de vereffening van de vennootschap belastingvrij te ontvangen. In dat geval geldt geen wachttermijn en betaal je alleen de afzonderlijke heffing van 10% bij de aanleg van de liquidatiereserve.
Om oneigenlijk gebruik van de liquidatiereserve tegen te gaan introduceert de nieuwe Programmawet een specifieke antimisbruikbepaling.
De spelregels van de nieuwe antimisbruikbepaling
In het ontwerp van Programmawet is ook een nieuwe specifieke antimisbruikbepaling opgenomen. De wetgever wil voorkomen dat vennootschappen worden ontbonden om aangelegde liquidatiereserves belastingvrij uit te keren, terwijl dezelfde of een gelijkaardige activiteit nadien wordt verdergezet via een andere (nieuwe of bestaande) vennootschap.
Wie valt eronder?
De wetgever richt zich op aandeelhouders die binnen de drie jaar na de vereffening en de uitkering van liquidatiereserves zonder betaling van roerende voorheffing (rechtstreeks of onrechtstreeks) bedrijfsleider worden van een vennootschap met dezelfde of een gelijkaardige activiteit. Je mag als belastingplichtige wel aantonen dat je beslissing door andere motieven werd gedreven dan louter fiscaal voordeel. Dat vergt een beoordeling geval per geval.
Als er geen geldige motieven zijn, worden deze dividenden alsnog beschouwd als belastbare dividenden in het belastbare tijdperk waarin het bedoelde feit (namelijk het bestuursmandaat) zich voor het eerst binnen die termijn van drie jaar voordoet. Het dividend moet dan worden opgenomen in de aangifte personenbelasting en zal belast worden tegen een tarief van 30%.
Wordt de voormalige aandeelhouder enkel aandeelhouder (en geen bestuurder) van de ‘nieuwe’ vennootschap, dan geldt de nieuwe bepaling in principe niet (maar let op voor ‘feitelijke bestuurders’ en de algemene antimisbruikbepaling).
Wat zou een probleem vormen?
Enkele mogelijke voorbeelden die onder de nieuwe bepaling zouden vallen:
- Een geneesheer-specialist (met een RIZIV-nummer) die aan een ziekenhuis verbonden is, liquideert zijn vennootschap om vervolgens via een andere vennootschap (met hetzelfde RIZIV-nummer) opnieuw als specialist te werken voor hetzelfde of een ander ziekenhuis.
- Een IT-specialist die via een vennootschap voor klant A werkt en daarin een liquidatiereserve heeft aangelegd, stopt voor klant A. Daarna oefent hij gelijkaardige activiteiten uit voor klant B via een nieuw opgerichte vennootschap.
Wanneer zou een tegenbewijs worden aanvaard?
Enkele voorbeelden waarin een geldig tegenbewijs aanvaard wordt:
- Iemand zet zijn consultancybedrijf stop omdat hij een functie aanvaardt als werknemer (in de publieke of private sector). Na 2,5 jaar wil hij opnieuw zelfstandig worden en zijn consultancy-activiteit hervatten (na ontslag uit de vorige functie).
- Een echtgenoot vereffent zijn vennootschap om voor zijn zwaar gehandicapte partner te zorgen. Na het overlijden van de partner start hij zijn activiteit opnieuw op, binnen de drie jaar.
Wanneer treedt dit in werking?
De antimisbruikbepaling treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van publicatie van de nieuwe Programmawet in het Belgisch Staatsblad. Dat zal vermoedelijk ten vroegste op 1 juni 2026 zijn.
Om onder de nieuwe bepaling te vallen, moeten alle verrichtingen die het misbruik uitmaken na de inwerkingtreding plaatsvinden (zowel de toekenning van het liquidatiedividend als het hervatten van de activiteit).
Als deze specifieke antimisbruikbepaling niet van toepassing is, kan de fiscus uiteraard nog altijd een beroep doen op de algemene antimisbruikbepaling.
Deze bijdrage kwam tot stand in samenwerking met :


